Er is geen dood.
De dood bestaat niet, want het is slechts een overgang naar het geestelijke, eeuwige leven. Na zijn lichamelijke dood gaat ieder mens aan gene zijde verder met de ontwikkeling van zijn leven.
Eeuwen lang was er weinig echte kennis over het leven na de dood. Maar Jezus liet Jakob Lorber een aantal boeken schrijven waarin het leven aan gene zijde zeer goed duidelijk wordt gemaakt. Zijn boek over Bisschop Martinus bijvoorbeeld, beschrijft de ontwikkeling van een ziel in haar eeuwige leven na dit tijdelijke aardse leven.

In de geestenwereld beseft Bisschop Martinus dat daar geen onderscheid tussen mensen is. Daarom laat hij alles van zijn bisschoppelijke status los.
Direct na zijn overlijden komt Martinus in een geestelijke omgeving en sfeer die weliswaar veel op zijn aardse leven lijkt, maar hem aan het denken zet. Een tijd later krijgt hij direct contact met Jezus en Petrus, die hem helpen zijn verkeerde beelden van het vagevuur, hemel en hel los te laten. Zij praten met hem daarover en weerleggen zijn misvattingen liefdevol, maar beslist. De manier waarop deze gebeurtenissen worden beschreven, maken heel goed duidelijk dat een mens in de eeuwige geestelijke wereld denkt en handelt zoals hij hier op aarde leefde. Er is geen verschil, iedereen in het hiernamaals leeft en leert daar wat het leven werkelijk is en wat het ware doel van zijn eeuwige leven is. Alle mensen leren daar dat het erom gaat elkaar zonder voorwaarden lief te hebben. Bovendien ervaart iedereen aan de andere kant dat het ‘weten’, de wereldse kennis en geleerdheid, volkomen onbelangrijk is.

Executie van Robert Blum in 1848
Een ander boek van Jakob Lorber dat hij met de hulp van Jezus mocht schrijven, neemt de lezer mee in de geestelijke wereld van Robert Blum die nauwelijks in God geloofde, maar in de kerk er wel veel over had gehoord. Meteen na zijn lichamelijke dood accepteert hij zijn nieuwe, geestelijke bestaan, maar omdat hij totaal onwetend is, is het helemaal donker om hem heen. Hij kan geen hand voor ogen zien en voelt dat hij kan lopen, maar geen meter vooruit komt. Dit is een heel mooi overeenstemmend beeld van zijn situatie en zijn totale onbekendheid met het leven na de dood. Ook Robert Blum krijgt contact met Jezus, omdat hij net als Bisschop Martinus wel in de persoon Jezus had leren geloven. Dat is zijn redding, want Jezus helpt hem en leidt hem stap voor stap naar een geestelijk leven in het hiernamaals vanuit ware wijze liefde.
Lering
Dat het ook anders kan gaan, heeft Jakob Lorber in zijn boek over “De drempel van de dood” beschreven. Daarin geeft de Heer een aantal voorbeelden van de wijze waarop mensen overlijden en hun reactie daarop. Deze verhalen zijn buitengewoon leerzaam en vormen tegelijk een waarschuwend woord voor de lezer, want het leven is geen spelletje maar een ernstige en heilige zaak. Steeds blijkt uit deze boeken van de Nieuwe Openbaring wat het werkelijke doel van ons aardse leven is. Iedereen heeft het doel onbaatzuchtige en onvoorwaardelijke liefde te leren leven, maar vele geestelijke leiders weten dit niet waardoor de meeste mensen deze uiterst belangrijke kennis niet verwerven tijdens hun aardse leven.
Citaat uit “Over de drempel van de dood”.
“Kijk, daar staan drie niet zichtbare engelen bij het bed van onze stervende, beroemde man. Zij houden hun blik onafgewend op hem gericht. Nu zegt A tegen B: ‘Broeder, ik denk dat het voor hem nu wel volbracht is. Aan deze doornhaag zullen hier op aarde wel geen druiven meer tevoorschijn komen. Zie hoe de ziel zich kromt en kronkelt en geen uitweg vindt, en hoe verkommerd de arme geest in haar eruit ziet! Grijp dus met je hand in de al starre ingewanden en bevrijd deze jammerlijke, ellendige ziel uit haar nacht, dan zal ik in naam van de Heer mijn adem op haar blazen en haar wekken voor deze wereld. En jij, broeder C, leid haar dan langs de wegen van de Heer naar haar plaats van bestemming, overeenkomstig de vrijheid van haar liefde. Het geschiede!’
Nu grijpt engel B in de ingewanden van onze man en zegt: ‘In naam van de Heer ontwaak en word vrij, broeder, overeenkomstig jouw liefde. Het zij zo!’ Nu zakt aan deze zijde het sterfelijke omhulsel in het stof, maar aan gene zijde staat een blinde ziel op! Engel A komt naderbij en zegt: ‘Broeder, waarom ben je blind?’ En de pas ontwaakte zegt: ‘Ik ben blind. Maak mij ziende, als jullie kunnen, opdat ik te weten kom wat er met mij gebeurd is, want al mijn pijnen zijn nu opeens verdwenen!’ Daarop ademt A op de ogen van de ontwaakte; de ontwaakte opent ze, kijkt heel verbaasd om zich heen en ziet niemand, behalve engel C. Hij vraagt hem: ‘Wie ben jij? En waar ben ik? En wat is er met mij gebeurd?’
De engel antwoordt: ‘Ik ben een boodschapper van God, de Heer Jezus Christus; ik ben aangewezen om je te leiden op de wegen van de Heer, als je dat wilt. Je bent nu lichamelijk voor eeuwig gestorven voor de uiterlijke, materiële wereld en bevindt je nu in de geestenwereld. Hier staan twee wegen voor je open: de weg naar de Heer in de hemelen of de weg naar het gebied waar de hel heerst. Het komt nu helemaal op jou aan, welke kant je uit zult gaan. Want zie, hier ben je volkomen vrij en kun je doen wat je wilt. Als je je door mij wilt laten leiden en mij wilt volgen, dan doe je daar goed aan. Maar als je liever je eigen lot wilt bepalen, staat je dat ook vrij. Maar weet, dat er hier maar één God, één Heer en één Rechter is en dat is Jezus, die in de wereld gekruisigd is! Houd je alleen aan Hem, dan zul je het ware licht en leven bereiken. Al het overige zal bedrog zijn en de schijn van je eigen fantasie, waarin je nu leeft en dit nu van mij verneemt!’
Daarop zegt de ontwaakte: ‘Maar dat is een nieuwe leer, die in strijd is met de leer van Rome, dus een ketterij! En jij, die mij die leer hier op deze eenzame plaats wilt opdringen, lijkt eerder een afgezant van de hel te zijn dan van de hemel; verdwijn dus uit mijn ogen en breng mij verder niet in verzoeking.
Dan zegt engel C: ‘Goed, jouw vrijheid ontslaat mij in de naam van de Heer Jezus van mijn zorg voor jou. Ontvang dus nu je eigen licht; het zij zo!’ Daarop verdwijnt engel C; de pas ontwaakte treedt zijn natuurlijke sfeer binnen en is op die manier als het ware onder zijn bekenden van de wereld en herinnert zich nauwelijks meer wat er met hem is gebeurd. Daar leeft hij nu, maar onwerkelijk zoals op de aardse wereld, hij gaat voort te doen wat hij op de wereld deed en bekommert zich noch om de hemel noch om de hel en nog minder om Mij, de Heer. Want dat zijn voor hem allemaal belachelijke vaagheden, even onwerkelijk als droombeelden, en iedereen die hem daaraan herinnert wordt uit zijn gezelschap verwijderd.” Einde citaat.
